Onderstaand blog is vijf jaar oud maar nog steeds roept het veel emotie op. Hoewel het voor verbetering vatbaar is heb ik er voor gekozen de oorspronkelijke versie te plaatsen omdat de oprechtheid waarmee het geschreven mij nog steeds diep raakt.
Toen de jongens nog heel klein
waren had ik vaak het gevoel dat ik een beetje ronddobberde in de zee van het
leven. We lagen op koers naar vast land. Naar mate ze groter werden werd het
meer meedrijven op de stroom. Maar op een gegeven moment begonnen er meerdere
stromingen te ontstaan die mij allemaal probeerden mee te trekken. Ik moest
gaan watertrappelen om niet meegevoerd te worden door deze stromingen.
De stromingen werden sterker en sterker. Ze begonnen harder en harder te trekken. Met veel moeite en heel hard door trappelen bleef ik boven, maar het water steeg me tot de lippen. Ik dreef steeds verder weg van het vaste land.
Na de diagnose van Jasper bleven de stromingen verschillende richtingen op te gaan. En allemaal verwachtten ze dat ik mee zou drijven. Het watertrappelen werd moeilijker en zwaarder. Mijn krachten begonnen af te nemen. Ik riep om hulp. Eerst zachtjes omdat ik vond dat ik zelf de stromingen wel kon ombuigen. Maar toen dit niet mogelijk bleek te zijn begon ik harder te roepen.
Er werden handen naar me uitgestoken. Sommige handen durfde ik niet te pakken omdat ik niet wist hoe ze me zouden kunnen helpen. Andere handen pakte ik voorzichtig aan omdat ik niet wist hoe ik er mee om moest gaan. En sommige handen greep ik stevig beet. Helaas waren deze handen alleen tot macht me even boven het water uit te tillen om me naar lucht te laten happen.
Er kwam een vloed opzetten. Totaal wanhopig besloot ik dat ik ging proberen te zwemmen. Geen van de handen bleek in staat mij drijvende te houden. Het werd tijd dat ik het zelf ging doen.
Ik probeerde vele slagen uit. Het ging moeizaam. Zo moeizaam dat ik eraan begon te denken het op te geven. Laat de stromingen mij maar meesleuren. Laat mij maar verdrinken. Ik ben zo moe, ik ben aan het eind van mijn krachten, ik wil niet meer zwemmen. Het vaste land leek verder weg dan ooit. Ik geloofde er niet eens meer in dat er zoiets bestond als vaste grond onder de voeten.
Toen zag ik weer al die uitgestoken handen. Handen die mij vertelden dat ik niet moest opgeven. Ik was zo goed begonnen met zwemmen. Er was alleen nog veel oefening nodig om het te automatiseren. Steeds als ik dreigde kopje onder te gaan kwam er weer een hand om mij even boven water te houden. En uitgeput als ik was, greep ik alle handen die mij toegestoken werden. Ik maakte me niet meer druk over hoe om te gaan met deze handen, hoe ze me zouden kunnen helpen of voor hoelang ze me lucht zouden kunnen geven. Ik was allang blij dat ze me wilden helpen.
Ik merkte dat het klopte. Mijn zwemslagen werden sterker, mijn uithoudingsvermogen groter en hoe langer ik doorging des te beter werd het resultaat. En op een dag merkte ik dat het zwemmen vanzelf ging. Ik hoefde niet meer over elke slag na te denken wat ik wanneer dan ook alweer moest doen. Ik ging niet meer kopje onder in de stromingen.
Toen gebeurde er iets heel bijzonders. Tijdens het zwemmen merkte ik dat er rust kwam in het water. Het werd eb en er viel een klein stukje grond droog. Dankbaar kroop ik erop. Ik dacht dat ik het gehaald had. ik had vaste grond onder mijn voeten en was niet van plan hier ooit weer vandaan te komen.
Maar het getij verliep en de vloed kwam weer opzetten. De vloed met zijn verraderlijke stromingen. Ik lag weer in het water. Paniek sloeg toe. Dit wil ik niet. ik wil niet meer in het water. Ik wil terug naar mijn vaste grond. Maar hoe ik ook keek en zocht de grond was verdwenen in de vloed.
Het water dreigde mij weer mee te sleuren tot ik mij plots alle uitgestoken handen herinnerde. De gedachte aan deze handen sterkten mij. Zij hadden mij verteld dat ik wel kon zwemmen en als ik dat nou maar gewoon deed zou ik de vloed wel overleven. Voorzichtig groeide er vertrouwen in eigen kunnen en kracht .Ik begon weer te zwemmen. Maar nu veel te hard en wild. Al snel raakte ik uitgeput. Ik greep maar weer eens naar een van de handen. Deze begeleidde mij, vertelde mij wat ik goed deed maar waarschuwde mij ook als ik teveel en te hard wilde. Langzamerhand leerde ik luisteren naar de zee en mijn eigen ik daarin. Daar lagen alle aanwijzingen hoe ik moest zwemmen, hoe hard en ook in welke richting.
Ik besloot mij niet langer te verzetten tegen het getij maar het te ondergaan, te voelen en te horen. Ik leerde te rusten op de grond als het eb was en te zwemmen als de vloed kwam. Ik merkte dat het veel minder moeilijk was dan ik dacht. Ja de stromingen in de vloed gingen nog steeds ernstig te keer en stroomden alle kanten op onderweg proberend alles met zich mee te trekken. Maar als ik gewoon doorzwom en mijn slagen aanpaste aan de stroming kwam ik toch vooruit. Natuurlijk kost het nog steeds veel kracht en zwemtechniek. en ja, soms ben ik het zwemmen echt wel beu maar ik weet nu dat het altijd weer eb wordt en dat ik dan weer grond onder mijn voeten heb. Dan kan ik weer bijkomen, uitrusten en genieten van het gevoel even op mijn benen te kunnen staan. Dat geeft kracht en vertrouwen waardoor de vloed minder afschrikwekkend wordt en ik niet meer terugdeins voor de eventuele stromingen.
De gedachte aan het vaste land is niet verdwenen. Het zal er ongetwijfeld zijn en de koers staat nog altijd die kant uit, maar voorlopig kijk ik alleen maar naar de stukken drooggevallen land als het weer eb is. Ooit zullen we het vaste land bereiken maar niet zonder slag of stoot.
Toch blijf ik vertrouwen houden. Want het getij valt niet te stoppen. Wat dus betekent dat de vloed altijd zal komen maar ook dat het altijd weer eb wordt.
De stromingen werden sterker en sterker. Ze begonnen harder en harder te trekken. Met veel moeite en heel hard door trappelen bleef ik boven, maar het water steeg me tot de lippen. Ik dreef steeds verder weg van het vaste land.
Na de diagnose van Jasper bleven de stromingen verschillende richtingen op te gaan. En allemaal verwachtten ze dat ik mee zou drijven. Het watertrappelen werd moeilijker en zwaarder. Mijn krachten begonnen af te nemen. Ik riep om hulp. Eerst zachtjes omdat ik vond dat ik zelf de stromingen wel kon ombuigen. Maar toen dit niet mogelijk bleek te zijn begon ik harder te roepen.
Er werden handen naar me uitgestoken. Sommige handen durfde ik niet te pakken omdat ik niet wist hoe ze me zouden kunnen helpen. Andere handen pakte ik voorzichtig aan omdat ik niet wist hoe ik er mee om moest gaan. En sommige handen greep ik stevig beet. Helaas waren deze handen alleen tot macht me even boven het water uit te tillen om me naar lucht te laten happen.
Er kwam een vloed opzetten. Totaal wanhopig besloot ik dat ik ging proberen te zwemmen. Geen van de handen bleek in staat mij drijvende te houden. Het werd tijd dat ik het zelf ging doen.
Ik probeerde vele slagen uit. Het ging moeizaam. Zo moeizaam dat ik eraan begon te denken het op te geven. Laat de stromingen mij maar meesleuren. Laat mij maar verdrinken. Ik ben zo moe, ik ben aan het eind van mijn krachten, ik wil niet meer zwemmen. Het vaste land leek verder weg dan ooit. Ik geloofde er niet eens meer in dat er zoiets bestond als vaste grond onder de voeten.
Toen zag ik weer al die uitgestoken handen. Handen die mij vertelden dat ik niet moest opgeven. Ik was zo goed begonnen met zwemmen. Er was alleen nog veel oefening nodig om het te automatiseren. Steeds als ik dreigde kopje onder te gaan kwam er weer een hand om mij even boven water te houden. En uitgeput als ik was, greep ik alle handen die mij toegestoken werden. Ik maakte me niet meer druk over hoe om te gaan met deze handen, hoe ze me zouden kunnen helpen of voor hoelang ze me lucht zouden kunnen geven. Ik was allang blij dat ze me wilden helpen.
Ik merkte dat het klopte. Mijn zwemslagen werden sterker, mijn uithoudingsvermogen groter en hoe langer ik doorging des te beter werd het resultaat. En op een dag merkte ik dat het zwemmen vanzelf ging. Ik hoefde niet meer over elke slag na te denken wat ik wanneer dan ook alweer moest doen. Ik ging niet meer kopje onder in de stromingen.
Toen gebeurde er iets heel bijzonders. Tijdens het zwemmen merkte ik dat er rust kwam in het water. Het werd eb en er viel een klein stukje grond droog. Dankbaar kroop ik erop. Ik dacht dat ik het gehaald had. ik had vaste grond onder mijn voeten en was niet van plan hier ooit weer vandaan te komen.
Maar het getij verliep en de vloed kwam weer opzetten. De vloed met zijn verraderlijke stromingen. Ik lag weer in het water. Paniek sloeg toe. Dit wil ik niet. ik wil niet meer in het water. Ik wil terug naar mijn vaste grond. Maar hoe ik ook keek en zocht de grond was verdwenen in de vloed.
Het water dreigde mij weer mee te sleuren tot ik mij plots alle uitgestoken handen herinnerde. De gedachte aan deze handen sterkten mij. Zij hadden mij verteld dat ik wel kon zwemmen en als ik dat nou maar gewoon deed zou ik de vloed wel overleven. Voorzichtig groeide er vertrouwen in eigen kunnen en kracht .Ik begon weer te zwemmen. Maar nu veel te hard en wild. Al snel raakte ik uitgeput. Ik greep maar weer eens naar een van de handen. Deze begeleidde mij, vertelde mij wat ik goed deed maar waarschuwde mij ook als ik teveel en te hard wilde. Langzamerhand leerde ik luisteren naar de zee en mijn eigen ik daarin. Daar lagen alle aanwijzingen hoe ik moest zwemmen, hoe hard en ook in welke richting.
Ik besloot mij niet langer te verzetten tegen het getij maar het te ondergaan, te voelen en te horen. Ik leerde te rusten op de grond als het eb was en te zwemmen als de vloed kwam. Ik merkte dat het veel minder moeilijk was dan ik dacht. Ja de stromingen in de vloed gingen nog steeds ernstig te keer en stroomden alle kanten op onderweg proberend alles met zich mee te trekken. Maar als ik gewoon doorzwom en mijn slagen aanpaste aan de stroming kwam ik toch vooruit. Natuurlijk kost het nog steeds veel kracht en zwemtechniek. en ja, soms ben ik het zwemmen echt wel beu maar ik weet nu dat het altijd weer eb wordt en dat ik dan weer grond onder mijn voeten heb. Dan kan ik weer bijkomen, uitrusten en genieten van het gevoel even op mijn benen te kunnen staan. Dat geeft kracht en vertrouwen waardoor de vloed minder afschrikwekkend wordt en ik niet meer terugdeins voor de eventuele stromingen.
De gedachte aan het vaste land is niet verdwenen. Het zal er ongetwijfeld zijn en de koers staat nog altijd die kant uit, maar voorlopig kijk ik alleen maar naar de stukken drooggevallen land als het weer eb is. Ooit zullen we het vaste land bereiken maar niet zonder slag of stoot.
Toch blijf ik vertrouwen houden. Want het getij valt niet te stoppen. Wat dus betekent dat de vloed altijd zal komen maar ook dat het altijd weer eb wordt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten