maandag 27 februari 2012

Brand

Het is nog erg vroeg als ik wakker word van Paul die uit het bed springt. Ik hoor een raar knisperend geluid. Vervolgens hoor ik Paul hartgrondig vloeken en hij roept:”De schuur staat in de fik!” Ik spring uit bed en trek snel mijn joggingbroek, fleecevest en slippers aan. Ondertussen hoor ik Jasper de zoldertrap afkomen. Wanneer ik de deur open doe, vraagt hij wat er aan de hand is. Ook Karsten komt de zoldertrap af. Hij lijkt meer aangeslagen en in de war. Zo rustig mogelijk vertel ik dat de schuur in brand staat. Ik loop achter Paul aan naar beneden. 
Onderaan de trap doet Paul voorzichtig de deur naar de keuken open. Gelukkig, alleen de schuur brand. Ik neem Jasper en Karsten mee naar hun kamers om ze kleren te geven. Ik wil ze deze over hun pyjama aan laten trekken maar ze begrijpen me niet helemaal. Ik verander van plan en neem de jongens en hun kleren weer mee naar beneden. Als het nodig is kunnen we tenminste meteen naar buiten. 
Een wijs besluit blijkt al snel want wanneer we weer beneden zijn horen we het glas in de keuken kozijn knappen. Ik bel 112 en dirigeer de jongens naar de deur. Ik grijp de hamsterkooi en geef deze aan Karsten die niet van mijn zijde wil wijken. Ik zie dat Jasper de voordeur al open heeft en zie Jeroen en Wendy voor de deur staan. Karsten geeft de hamsterkooi aan Wendy en Jasper en Jeroen pakken samen de caviakooi. Ik roep Kira die nog steeds boven ligt en loop ook naar buiten. Daar staan nu twee buurvrouwen die vragen of iedereen al uit het huis is. Ik kijk om en zie Paul aan komen lopen. Iedereen is er dus. 
Ik krijg van Paul mijn laptop en de externe harde schijf in mijn handen geduwd. Ik weet dat de kinderen en de dieren bij Jeroen en Wendy zijn dus ook ik ga daar naar toe. Terwijl ik daar naar toe loop komt Wendy op me af lopen. Ze zwaait met haar telefoon en roept: “Als ik je bel moet je GVD opnemen!” Mijn antwoord is berenuchter:”Sorry meid, ik was effe druk bezig.” Ik vervolg mijn weg naar hun huis en zie een andere buurman. Hij lijkt paniekerig en wil weten of iedereen in veiligheid is. Het feit dat dat zo is lijkt hem wat te kalmeren. 
Ik loop door om mijn lading veilig te stellen en te kijken hoe het met de jongens is. Ondanks de paniek die er kort daarvoor toch even door hun lijf gierde zitten ze relatief rustig op de bank. Jasper zit met de Ipad te spelen en Karsten heeft een Nintendo gevonden. Wendy komt weer binnen en ik besluit weer naar buiten te gaan. 
Buiten zijn er al veel mensen op straat. Bijna alle buren zijn staan er. Iemand vertelt me dat Paul en Jeroen bij de buren zijn om de bejaarde buurman uit bed en naar beneden te helpen. Plotseling zie ik een agent rennen. Hij springt dwars door de bosjes terwijl hij in zijn portofoon schreeuwt:”Hierheen! De brand slaat over op een woonhuis. Eerst naar de Jan Mankeshof!” Ik sta er bij, ik kijk ernaar, ik hoor alles wat er gebeurd maar alles is zo onwerkelijk. Ik realiseer me dat ik niks anders voel dan verbijstering. Ik voel geen verdriet, geen onmacht, geen angst, geen paniek. Enkel en alleen verbijstering. 

Ik loop wat tussen de mensen door en kom een man die iets verderop woont tegen. Hij heeft ook iets verbijsterds over zich. Hij heeft het erover dat het zo raar is dat na vele jaren nu weer hetzelfde huis in brand staat (jaren geleden heeft er in onze woning een binnenbrand gewoed) Dan maakt hij een opmerking die inslaat als een bom.”Er zijn 4 branden hier in de wijk hè. En allemaal schuurtjes.” 
Met dat hij het zegt besef ik wat het betekend. De brand is geen ongeluk door kortsluiting ofzo, het is aangestoken. Ik ben enorm ontzet. Hoe haalt iemand het in zijn hoofd om die schuur in brand te steken? Een schuur op anderhalve meter van een woonhuis waar een gezin ligt te slapen. In een rij huizen waar allemaal mensen liggen te slapen. Wat bezielt iemand om ons zo in gevaar te brengen? Beseft zo iemand wel hoe dit had kunnen aflopen als we niet zo snel wakker waren geworden of als we nog de oude kozijnen hadden gehad. Want dat we alle geluk van de wereld hadden dat we allemaal met alle huisdieren veilig en wel naar buiten waren gekomen besefte ik al wel. En ondertussen stonden er dus 6 gezinnen buiten op straat af te wachten of de brand zou doorslaan naar het dak waardoor de hele rij huizen gevaar liep. Had zo iemand daar überhaupt 1 seconde aan gedacht? 
Want ondertussen is de brandweer gearriveerd, hebben Paul en Jeroen de oude buurman zijn huis uitgepraat en controleert politie of iedereen in het rijtje uit huis is. Ik zie een agent bij het hoekhuis met een zaklantaarn naar binnen schijnen. Ik loop naar hem toe om te vertellen dat deze mensen al uit huis zijn en op de hoek van het andere rijtje binnen zijn. De agent zegt dat hij eigenlijk op zoek is naar de bewoners van 101, of ik weet waar die zijn. Nou dat treft, ik ben er 1 van en daar loopt de andere. Ik roep Paul erbij en er wordt ons gevraagd te vertellen wat er gebeurd is. We doen ons verhaal en vragen de agent of het klopt dat er nog meer branden zijn. De agent beaamt dit en vertelt dat hij niet eens uit Meppel komt maar uit Emmen. Hij bevestigt wat we dan al vermoeden. Vier brandmeldingen binnen een half uur, dan hoef je niet van toeval uit te gaan, dan is het vrijwel zeker dat er opzet in het spel is. Op dat moment voel ik een woede in me opkomen die zijn grenzen niet kent. Ik ben ziedend, razend, witheet! 
Ondertussen is de straat volgestroomd met mensen. Ik verbaas mij erover hoeveel mensen er ’s morgens om 6 uur de straat op gaan om in de buurt naar een brand te gaan kijken. Er staan zelfs mensen met kleine kinderen tussen. Dit maakt me nog kwader. Ze maken er een gezinsuitje van om lekker naar de ellende van een ander te gaan kijken. Maar het is wel ons huis, het is onze ellende waar ze zich zo aan vergapen! 
Op een gegeven trek ik het niet meer en loop bij Wen en Joen naar binnen om een kop koffie te scoren. De jongens zitten hele gesprekken te voeren met de buurman van de hoek. Dat gaat dus wel goed. Ik ga in de tuin zitten om nog maar weer een sigaret te roken. Vanaf daar kan ik zien dat het vuur onder controle is. Ik zie geen vlammen meer boven de schutting uitkomen. 
Als we even later weer buiten de poort komen lijkt het of de brandweer is begonnen met opruimen. We vragen de officier van dienst hoe het er voor staat en hij beaamt dat de brand geblust is. Er is wel veel schade maar ze hebben de brand goed onder controle kunnen houden waardoor het niet naar binnen is geslagen. Ik voel een kleine opluchting. Misschien valt het allemaal wel mee. 
Een paar minuten later zien we een man praten met de officier van dienst. Deze man is duidelijk op zoek naar ons. We lopen naar hem toe en stellen ons voor. Het blijkt een man te zijn van de stichting Salvage, een stichting van verzekeraars die in actie komt bij brandmeldingen om mensen te helpen met de directe gevolgen van een brand. Hij stelt voor het huis even te bekijken en vraagt of we daarna ergens even rustig kunnen zitten. Wen en Joen bieden meteen hun huiskamer aan. 
We gaan ons huis binnen en het wordt me al snel duidelijk. Hier is meer schade dan we hadden verwacht. Ik begin te vermoeden dat dit wel eens een langer verhaal kan gaan worden. We gaan naar het huis van Wen en Joen en als we zitten legt de man nogmaals uit wat hij precies komt doen. Hij laat ons vertellen wat er is gebeurt, informeert naar de kinderen( die nu enorm aan het stuiteren zijn gegaan) en hoe het met ons is. Vervolgens zegt hij wat ik al vreesde:”ik denk dat we eerst maar eens opvang voor de eerste dagen moeten regelen want hier kunnen jullie de eerste 10 weken nog niet weer in.” En zonder dat wij dat op dat moment beseften was die zin het startsein van heel veel regelwerk. 



2 opmerkingen:

  1. Dat was heftig, en wat een vuurzee. Gelukkig is het nu achter de rug.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ik ben nog elke dag blij dat we zelf niks hadden. De meeste schade is hersteld of vervangen, al zijn er nog wel eens dingen die je pas mist als je ze een keer wilt gebruiken (oja, lag in de schuur/keuken)En ook mentaal zijn we de klap zo goed als te boven

      Verwijderen